Roze

fifty shades of rose

Of het nu de zomerse temperaturen zijn of de uitnodigende kleurtjes, ik weet het niet, maar dezer dagen gaat er in onze keuken of op het terras verrassend vaak een fles rosé open. Soms als aperitief, soms als maaltijdwijn en hoera, ook als er iets te vieren is!

Rosé is niet de gemakkelijkste wijn, dat wil zeggen, als je een goede wil maken. Dat heeft er lang aan ontbroken want rosé werd voornamelijk in de zomer gedronken. “Roze” verder lezen

Montmartre

tekening vignoble montmartreVanaf de straat is er nog niet veel te zien in dit prille voorjaar. Bovendien ligt hij tegen een helling, de oudste wijngaard van Parijs. Heraangelegd in 1932 als eerbetoon aan vroeger tijden toen Montmartre nog een boerendorp was (dat in 1830 werd geannexeerd door de zich uitbreidende stad) en de omgeving voornamelijk bestond uit molens en wijngaarden. Die leverden indertijd heel behoorlijke wijn op, naar verluidt zelfs concurrerend met Bordeaux en Bourgognewijnen. “Montmartre” verder lezen

Over Hollandse lucifers en Franse wijnen

Nederlanders hebben in vroeger tijden faam verworven met hun zeemanskunsten en koopmansgeest. Maar dat ze behalve in specerijen, tabak en katoen ook een belangrijke rol in de wijnhandel hebben gespeeld, is mogelijk minder bekend.

We schrijven het jaar 1600. Bordeaux is een levendige havenstad waarvandaan veel wijn naar Engeland wordt verscheept. De Britten zijn dol op de claret, zoals ze de licht gekleurde rode Franse wijn uit deze streek noemen. Om aan de toenemende vraag tegemoet te komen is er dan ook behoefte aan nieuwe aanplant. De bodem rondom Bordeaux is echter moerassig en daarom vragen de Fransen de Hollanders om advies. Die hebben immers ervaring met het droogleggen van drassige gronden. Zo komt het dat de Nederlanders polders aanleggen in de Médoc en daarmee, letterlijk, aan de basis liggen van wat zal uitgroeien tot één van de duurste wijnstreken ter wereld. Grappig, nietwaar?

Gelukkig houden de zeventiende eeuwse Hollanders ook van wijn. Hun smaak is wel anders, ze prefereren wat vollere, zware rode wijnen en mollige zoete witte wijnen. Die komen er dan ook. Het wijnareaal in Bordeaux breidt zich dus niet alleen uit, er worden ook meer druivensoorten aangeplant. De Fransen varen er wel bij, maar de Nederlanders ook. In korte tijd staan ze aan het hoofd van een wereldwijde wijnhandel.

Nederlanders hebben nog op een andere manier hun sporen na in de wijngeschiedenis nagelaten. Door hun verre maritieme expedities hadden ze namelijk verstand van bewaren. De meeste wijn die over langere afstanden vervoerd moest worden, bedierf na een paar maanden. De Nederlanders lengden de vaten wijn aan met brandy waardoor de houdbaarheid verlengd werd. Daarnaast gebruikten ze zwavelkaarsen om de houten vaten te desinfecteren. Deze techniek bestond al heel lang maar werd nauwelijks in de wijn toegepast. Ook deze manier van ontsmetten kwam de houdbaarheid ten goede kwam en heeft in het Frans lang ‘allumettes hollandaises’ geheten.

Tegenwoordig worden er zeer strenge eisen gesteld aan het gebruik van zwavel(dioxide) om te ontsmetten. Hollandse lucifers mogen niet meer, al worden in het informele wijncircuit (zelf wijn maken en zo) nog wel ‘zwavelwieken’ gebruikt, dat zijn katoenen dotjes waarin zwavel is samengeperst. Die steek je in brand om houten (wijn)vaten te desinfecteren.

En nu we het toch over zwaveldioxiden hebben…. Sulfiet is daarvan de verzamelnaam en dat zie je (in alle talen) op elke wijnfles staan. Behalve een ontsmettingsmiddel is zwaveldioxide namelijk ook een conserveringsmiddel. Als er meer dan 10 mg in een liter wijn zit, moet er op het etiket ‘bevat sulfiet’ staan. En daar zit de wijnmaker al gauw aan want in de druif zit van nature ook al wat sulfiet.

Pomerol, Pomerol, Pomerolleke

In een vorig leven maakte ik geregeld buitenlandse reisreportages voor een damesblad. Meestal samen met Stephan, een jonge Antwerpse fotograaf. Als het zo uitkwam, aten we na het werk met elkaar. Net als ik, hield Stephan van een glas wijn. Veel wist hij er niet van, zei hij zelf, maar voorkeur had hij wel. Hij dronk het liefst een ‘Pomerolleke’.

Pomerol is een kleine maar internationaal vermaarde wijnregio in de Bordeauxstreek, waarvan de wijngaarden op een plateau ten noordoosten van de (haven)stad Libourne liggen. Verwacht hier geen landschappelijk schoon, romantisch slingerende weggetjes door de wijngaarden of pittoreske dorpjes. De wijnstreek Pomerol is dor, een beetje onherbergzaam zelfs, en de meeste châteaus zijn hier eerder huizen dan kastelen. De grond bestaat uit grind en klei, een bodemgesteldheid waar de rode merlotdruif zich prettig voelt. Die vormt dan ook het belangrijkste bestanddeel van de Pomerollekes en geeft de wijn de kruidigheid en toch fluwelen, volle smaak. De ultieme Pomerol in dat opzicht is afkomstig van Château Pétrus, wereldberoemd, onbetaalbaar en een verhaal apart. Daarover dus een andere keer meer.

Het zijn de Belgen geweest die de Pomerolwijnen in onze contreien geïntroduceerd hebben. Ze kochten in bulk in, en importeerden, bottelden en verkochten de wijn in Noord-Europa. Met succes. Nu was België van oudsher één van de beste klanten van Bordeauxwijnen dus in die zin verrast dat niet. Opmerkelijk is wel dat de appreciatie van de Pomerolwijnen relatief jong is, die dateert van begin 20e eeuw. Voor die tijd werden natuurlijk ook al Pomerolwijnen gemaakt (sterker zelfs, al in de Romeinse tijd), maar die stonden veelal in de schaduw van de grote buurwijnen uit Saint-Emilion, overigens wél een mooi plaatsje.

En zo komt het dat Pomerol tegenwoordig nog een claim to fame  bezit. Het is namelijk het enige wijngebied in de Bordeaux zonder officiële classificatie. Even terug in de geschiedenis: in 1855 werd in Parijs de Wereldtentoonstelling gehouden. Het leek Napoléon III een goed idee om de toen ook al beroemde wijnen uit de Bordeaux te rangschikken in vijf niveaus (van premiers crus tot cinquièmes crus.). Het was allicht een overzichtelijke manier om de vooraanstaande gasten te imponeren. Uitgangspunt vormde in elk geval het aanzien van de wijnen/châteaus (een zestigtal), lees: de marktwaarde op dat moment. Pomerol zat daar eenvoudigweg niet bij.

Gelukkig is dat geen beletsel gebleken om al heel lang prachtige wijnen te maken. Op de verschillende reportages heb ik Stephan dan ook graag gezelschap gehouden met zijn Pomerollekes!

Het speelkwartier – jeugdige overmoed en oude wijnen

Over troebele wijnen en heldere hoofden

album - d'étiquettesWe waren jong en met z’n zessen. Een gelegenheidsclubje ervaren wijndrinkers maar onervaren wijnproevers. Toch hadden we het voor elkaar gekregen om een aantal mooie flessen wijn uit de kelder van de oude buurman te mogen proeven en te beoordelen.

Het is, ruim 15 jaar na dato, vermakelijk om de proefnotities van die avond te herlezen. In een speciaal daartoe aangeschaft  ‘Album d’étiquettes’ noteerden we onze bevindingen. Wat een heerlijke onbevangenheid, wat een jeugdige overmoed. De notities variëren van ‘is net vruchtenlimonade, licht en gemakkelijk’ (Château Gravet, Saint-Émilion 1990) tot ‘doe maar twee kistjes’ (Château Bellegrave Saint-Émilion, 1982). Ik herinner me niet dat we spuugden. Wel dat we gaandeweg wat lacherig werden om onze eigen associaties (‘deze wijn is helderder dan jij nu bent’), maar dat zal met het voorgaande te maken hebben.

Het waren bijna allemaal Bordeaux wijnen die we proefden, waaronder een aantal Fronsacs. Alsof we er verstand van hadden, noteerden we ‘erg lekker, een echte Fronsac’ (Château La Croix Jeandeman, 1983). Wat dan het kenmerkende aan een Fronsac was, lieten we gemakshalve achterwege. In die tijd was dat waarschijnlijk nog iets boers. De Canon-Fronsac 1979 van Château Labory vonden we ‘wat agressief, beetje wrang, wel lekker maar harder…’

In de jaren 1980 is er een inhaalslag geweest met betrekking tot de vinificatiemethoden in deze appellation, die ooit beroemder was dan buur Pomerol, aan de andere kant van de stad Libourne. Er werd veel geïnvesteerd in nieuwe vaten waardoor  de wijnen iets van het eerdere nukkige karakter verloren en wat soepeler werden. Wellicht hadden we daar al iets van geproefd.

De topper van de avond beloofde de Château Charron, Premières Côtes de Blaye 1979  te worden, onderscheiden met een Médaille d’Or. Met de nodige egards werd de fles ontkurkt en behoedzaam uitgeschonken. Helaas, wat viel die tegen! Hij was troebel, er zat veel depot in de fles (‘allemaal rotzooi onderin’) en was zurig. Deze wijn was duidelijk ‘over de dronk heen’, constateerden we teleurgesteld, al gunden we hem wel nog een herkansing. In een saus.