Verrukkelijk Vietnam (2)

Verloofde heeft een medicijn vergeten in een vorige stad (en zijn portefeuille thuis, maar daar komen we gelukkig in het vliegtuig al achter) dus we gaan in Hanoi op zoek naar een apotheek. Een westerse, wel te verstaan, want de kruiden van de ‘local pharmacy’ op de markt laten we liever aan de plaatselijke bewoners. In de apotheek staat een man in trainingspak ons vriendelijk te woord. Hij checkt in de computer of het gevraagde medicijn voorradig is. Nee. Sterker, hij heeft er nog nooit van gehoord. Maar hij belt even naar een apotheek in de buurt of die het heeft. Ja! Daarop verzoekt hij zijn jonge vrouwelijke collega om op haar motorbike te stappen en het medicijn op te halen. Binnen vijf minuten is ze terug. Geweldige service. En net genoeg tijd voor een praatje. Blijkt dat de man helemaal geen apotheker is. Dat hij even in de zaak staat om de honneurs van zijn broer, wél apotheker, waar te nemen. Zelf zit hij in de huisdierenbranche…

Er rijden meer dan vier miljoen motorbikes in Hanoi (een stad van zeven miljoen inwoners). Ze bepalen, samen met de honderdduizenden fietsers en automobilisten, het chaotische straatbeeld. Hoog opgetast en breed uitgemeten met handelswaar en kinderen, domineren ze de straten. En de lucht. Verkeersregels worden geregeld overtreden en het oversteken als voetganger vergt dan ook moed en vastberadenheid.

We arriveren veilig bij de kookschool waar we die middag praktijkles krijgen in de Vietnamese keuken. Chefkok Tee neemt ons om te beginnen mee naar één van de vele plaatselijke markten. ‘Vietnamezen eten supervers. Per maaltijd gaat men ingrediënten halen. ’s Ochtends is het hier dus druk voor de lunch, en na de middag is er weer een piek voor het avondeten,’ vertelt Tee. Bij de eierkraam krijgen we les in kwartel-, kippen-, eenden- en ganzeneieren. Inclusief bevruchte eendeneieren, die als delicatesse gelden.

‘Rijst of noodles begeleiden elke maaltijd, in gestoomde, gebakken, gefrituurde of sticky vorm. We zijn ook dol op kruiden zoals koriander en munt,’ vervolgt Tee. ‘Gember en vissaus zijn essentieel, net als knoflook en chilipepers.’ (In de restaurants, valt me op, hebben de pepervaatjes meer gaatjes dan de zoutvaatjes, anders dan bij ons.) Een populaire groente is verder de ‘morning glory’, waterspinazie die in moerassen groeit en gewokt met knoflook een geliefd bijgerecht vormt.

We gaan aan de slag. Het menu bestaat uit kip met gember en limoen (in kleine stukjes geserveerd zodat je het met stokjes kunt eten); bananenbloemsalade (fijngesneden in ringetjes, die vervolgens in water met limoensap worden geweekt om het verkleuren tegen te gaan); garnalen en omelet loempiaatjes met klassieke Vietnamese dipsaus, en een zoete kokossoep die zowel warm (met sesamzaadjes) als koud (in een longdrinkglas met ijsklontjes) gegeten of gedronken kan worden.

De loempia’s uit Vietnam zijn wereldwijd bekend. Ze bestaan in ‘verse’ vorm en gefrituurd. Wij rollen  de verse. ‘Eigenlijk kun je in rijstpapier elke vulling doen: kip, gehakt, vis, groenten, sla, rijst, noodles, kruiden, zelfs fruit als een niet te rijpe ananas, het is afhankelijk van wat je in huis hebt,’ legt Tee uit. ‘Maar niet alles door elkaar natuurlijk,’ voegt hij er met een knipoog aan toe. ‘En minstens zo belangrijk is de saus die erbij komt. De basis bestaat uit vissaus, limoensap en rijstazijn, in combinatie met suiker, knoflook en fijngehakte rode pepers. Alleen de verhoudingen kunnen verschillen, met andere smaaksensaties als gevolg.’

Voordat we ons zelf bereide maal gaan eten, krijgen we een drankje aangeboden (water is er à volonté). Verloofde gaat voor een lokaal biertje. Ik heb liever een glas wijn. Een pinot gris had er vast goed bij gesmaakt, of misschien zelfs een gewürztraminer, maar die staan hier niet op de kaart. Dus toch gekozen voor de eenvoudige rode Spaanse wijn die er wel is. Qua wijn-spijs combinatie ongetwijfeld niet verantwoord, maar alles smaakt me verrukkelijk!

PS: Als we onze tassen herpakken voor vertrek, vindt Verloofde uiteraard zijn medicijn terug.

Verrassend Vietnam (1)

‘Geen wijnreis deze keer?’ Ik krijg de vraag meermaals als ik vertel dat we de komende twee weken naar Vietnam gaan. ‘Nee, puur vakantie,’ antwoord ik. Vietnam staat om veel moois bekend maar niet om zijn wijn. Dat de lokale keuken een belangrijke rol zal spelen tijdens onze reis door het noorden van het land, was voorzien. We hebben zelfs enkele kooklessen geboekt. Dat er toch nog Vietnamese wijn op tafel komt, is een verrassing …

Hun lichaamsbouw lijkt omgekeerd evenredig met de hoeveelheid eten die ze dagelijks tot zich nemen. Waar làten ze het, die tengere Vietnamezen? De hele dag door eten ze. En het is ook zo zichtbaar, want zowel de aan- en verkoop van de verse ingrediënten, als de bereiding, als het eten zelf, het speelt zich allemaal op straat af. ‘Onze huizen zijn erg klein, en de ruimtes delen we dan nog met onze families, dikwijls vier generaties,’ vertelt gids Loan. Ze leidt ons rond in Hanoi. ‘Voor keukens binnenshuis is nauwelijks plaats, dus schillen, pellen, hakken, snijden, koken, bakken en frituren we alles op de stoep. Zelfs de afwas doen we buiten, in emmertjes!’

Bij het eten wordt wordt water, thee, koffie, frisdrank en (plaatselijk gebrouwen) bier gedronken. Geen wijn. Dat verwondert me een beetje, gezien het koloniale Franse verleden. Croissants en baguettes zijn er in elk geval nog wel. ‘Het is te koud om hier wijn te maken,’ zegt Loan stellig. ‘En geïmporteerde wijnen zijn voor de meeste Vietnamezen te duur, dus er is weinig vraag.’

Dat is niet helemaal waar. De Fransen legden indertijd wel degelijk wijngaarden aan. Niet vanzelfsprekend, in een tropisch klimaat. Ze kozen daarom voor hoger (= koeler) gelegen plekken maar het resultaat bleef bedroevend. Daarom werd er ook met vruchtenwijnen geëxperimenteerd. Sinds eind jaren 1990 doet men in het zuidoosten, meer specifiek in de Dàlat Vallei opnieuw serieuze pogingen om wijn te maken. Daar komen we eigenlijk bij toeval achter als we op een wijnkaart, naast een aantal hoog geprijsde Europese, Australische en Chileense wijnen, ook een Vietnamese wijn zien staan. Het is de, ook voor Vietnamezen, veel goedkopere rode Vang Dàlat Classic. We bestellen, een beetje aarzelend, een fles. Het is een blend, waarin behalve wijndruiven ook moerbeibessensap is verwerkt. Dat zou bij ons geen wijn meer mogen heten. Volgens de EU definitie mag wijn immers uitsluitend van (het sap van) vers geplukte druiven gemaakt zijn. De wijn is fruitig, niet al te veel uit balans qua alcoholpercentage (12%) maar als geheel pover, de smaak is dun. Thuis zou ik er niet over piekeren om een dergelijke wijn te kopen of te drinken, al zou hij als kookwijn nog heel geschikt kunnen zijn.

Er eenmaal op geattendeerd, blijken er meer Vietnamese wijnen te zijn, alle uit de Dàlat Vallei. De meeste zijn verkrijgbaar in supermarkten. Maar de verrassendste kwamen we tegen in Halong Bay, waar een parlevinkerdame, behalve chips, water, parels en handgemaakte tasjes, ook een fles Vang Dàlat aanbood. We hebben haar verlost natuurlijk…

Vernieuwend Hongarije (3): de volgende generatie

We ontmoeten Veronika Gal in Fuzion, Eger, de wijnbar/kelder/winkel/lounge/restaurant van broer Tibor. Zij leidt deze hippe en multifunctionele zaak, met een relatief beperkt aantal wijnen in het assortiment, valt ons op. ‘Met opzet,’ zegt Veronika. ‘De keuze was gewoon te groot. Tibor (beter bekend als Titi) heeft een paar jaar geleden een trendbreuk veroorzaakt door het aanbod bewust te verkleinen. Onze belangrijkste wijnen nu zijn de Egri Bikavér, de Egri Csillag, een witte wijn waarvan we hier in Eger vinden dat die een waardige zuster van de Bikavér is, en de pinot noir, als eerbetoon aan onze vader,’ zegt Veronika. Tibor Gal sr. introduceerde de pinot noir (en andere Franse druiven) eind jaren 1990 in Hongarije. Achterliggende gedachte was dat Eger en de Bourgogne (waar de pinot noir de huisdruif is) op dezelfde breedtegraad liggen en er dus verwantschap zou kunnen zijn. Hij had gelijk. En succes.

Zoon Titi Gal werd in 2015 uitgeroepen tot beste ‘tweede generatie’ wijnmaker. Dat licht ik even toe. Hongarije is al een oud wijnland, wat niet wegneemt dat het diverse crises heeft moeten doorstaan. De meest recente was misschien wel de ruim veertig jaar dat het land onder communistisch regime leefde, tot de ‘val’ van De Muur in 1989.  Daarna kwam er beperkt ruimte voor buitenlandse investeerders om Hongaarse wijngaarden aan te kopen. Zij brachten geld, kennis en westerse productiemethoden mee. En ook de Hongaren zelf kregen de mogelijkheid om onteigende wijngaarden beetje bij beetje terug te kopen. Dat is de ‘eerste’ generatie, die van Tibor Gal sr., Attila Gere sr., Joseph Bock sr., Huba Szeremley en nog enkele vooruitstrevende wijnmakers. Voor ons zijn het namen, voor de Hongaarse wijnwereld iconen.

Want ze hadden allemaal lef, én visie. De tweede generatie Gere en Bock komen we tegen in Villany, een levendig wijndorp in het zuiden van Hongarije. Zoons en dochters zwaaien nu de scepter over de met succes opgebouwde wijnbedrijven van hun ouders en breiden de wijngaardactiviteiten uit met comfortabele hotelaccommodatie, (web)wijnshops, wellness faciliteiten en een goed restaurant. Villany is een mooi voorbeeld van succesvol Hongaars wijntoerisme. Ook hier worden we weer hartelijk ontvangen en rondgeleid door professionals. Gefêteerd worden we ook: uit de kelders van Bock mogen we een wijn kiezen die we ’s avonds bij het diner zullen drinken…. Het wordt één van de Bordeaux-blends (cabernet sauvignon, cabernet franc en merlot) waar vader Bock bekend mee geworden is, zijn eigen favoriet uit 1999.

We eindigen onze wijnreis aan het Balatonmeer, één van de oudste wijngebieden van Hongarije en bijzonder veelzijdig, zowel qua terroir als qua wijnen. Er zijn daarom ook meerdere appellaties rond het meer. We bezoeken enkele kleine beloftevolle wineries van jonge wijnmakers, en gevestigde huizen als Konyári en Szeremley, aan weerszijden van het meer. Ook hier heeft de volgende generatie het roer overgenomen. ‘Al komt mijn vader Huba nog wel eens kijken of ik het goed doe,’ zegt Laszlo Szeremley met een veelbetekenende glimlach.  Zijn wijnen proeven we tijdens een lunch in het bij het domein behorende restaurant, met prachtig zicht over het Balatonmeer. Ondertussen vertelt exportdirecteur Gabor Kardos over de jongste inspanningen van een aantal wijnmakers rondom het meer om een regionale blend te maken. ‘Het is Balatonbor (bor=wijn) geworden, een frisse witte wijn gemaakt van de populaire olaszrizlingdruif. Het is geen massaproduct, daarvan wordt er al genoeg gemaakt, maar we willen de echte wijntoeristen wel bedienen, zowel binnen- als buitenlandse. We geloven dat er zeker een markt is, alleen moeten we kijken hoe we die gezamenlijk op kunnen,’ zegt Gabor. ‘Wat wij Hongaren nog moeten leren is samen werken en samen naar buiten treden. Dat is in ieder geval iets dat deze generatie gemeen heeft met de vorige: een weerzin tegen coöperaties.’

We hebben een mooie collectie Hongaarse wijnen samengesteld om te laten proeven tijdens de Masterclass Hongaarse wijnen op vrijdagavond 8 februari 2019 bij La Causerie, Rotterdam.

Vernieuwend Hongarije (2): Egri Bikavér

Er is nog een wijn die we associëren met Hongarije en die komt uit Eger, een fraai barok plaatsje in het noorden van Hongarije, omringd door wijngaarden en beschermd door een groot kasteel. Daar speelden zich in 1552 heldhaftige taferelen af en de legende die daaraan verbonden is, is ook de naamgever van de  omineuze wijn Egri Bikavér, ofwel Stierenbloed (bik =stier, vèr= bloed) uit Eger. Een wijn die me, omwille van de negatieve associatie met de naam, nooit heeft uitgenodigd om te proeven. Maar te gast zijnde bij lokale producenten kan ik natuurlijk niet weigeren….

Eger gaat prat op zijn stierenbloed, nog altijd, hoewel er ook andere wijnen gemaakt worden. ‘Elk zichzelf respecterend wijnhuis hier heeft een eigen versie Egri Bikavér,’ vertelt Eva Barta, wijnconsulent en exportmanager van verschillende wijnhuizen in Eger. ‘Het was vroeger een respectabele wijn, licht rood, fris en zelfs een beetje kruidig, gemaakt van de kadarkadruif. Dat veranderde tijdens het communisme. Dit authentieke  druivenras werd als het ware uitgemolken,’ zegt Eva. ‘De productie werd omhoog gedreven om de gigantische Russische markt te voorzien. Onnodig te zeggen dat het een snelle maar beroerde wijn opleverde die Egri Bikavér een slechte reputatie bezorgde.’

Daar probeert men nu vanaf te komen, terug naar kwaliteit, mét behoud van naamsbekendheid. Hoe doe je dat? ‘Om te beginnen zijn veel producenten de etiketten eigentijdser en vriendelijker gaan maken,’ legt Eva uit. ‘Je bent niet de enige bij wie ‘Stierenbloed’ een zekere weerzin oproept,’ glimlacht ze. ‘En ook de oubollige, zware etiketten waarop die stier dreigend stond afgebeeld, deden dat.’ Daarnaast wordt er lokaal hard gewerkt aan een classificatiesysteem dat het de consument makkelijker moet maken om (kwaliteit) te kiezen. ‘En,’ vervolgt Eva, ‘met het oog op de exportmarkt, is er afgesproken om alle Egri Bikavérwijnen, gespeld op zijn Hongaars dus, internationaal in de markt te zetten. Als geuzennaam!’

Hoe zit dat dan met die andere Bikavér, uit Szekzàrd, een mooi wijngebied in het zuiden van Hongarije? Daar claimen ze ook de naamgever van het Hongaarse Stierenbloed te zijn. ‘Ach, wat doet het ertoe, wie er het eerste was,’ relativeert Zoltàn Heimann van de gelijknamige winery. ‘We maken nog meer fantastische wijnen. Wij vinden het belangrijk om het  veelzijdige gebied Szekzàrd op de kaart zetten, niet per se een wijn.’

In het streven de kwaliteit in de Hongaarse wijnen terug te brengen is ook de wijnwetgeving van belang. Sinds de toetreding van Hongarije tot de EU in 2004 is die aangepast aan Europese normen. En die liggen behoorlijk hoog, ook voor de Bikavér. De wijn moet uit meerdere rode druivenrassen bestaan (net als bijvoorbeeld Châteauneuf-du-Pape), waarbij de hoeveelheden en verhoudingen zijn gereglementeerd. Als hoofddruif is de kadarka inmiddels vervangen door een andere autochtone druif, de populaire kékfrankos. Verder zit er meestal cabernet franc, cabernet sauvignon en merlot in, soms ook pinot noir. Al proevend ervaar ik verscheidenheid in Bikavérs en raak langzaam maar zeker onder de bekoring van deze elegante wijn.

Dat ook de jongere generatie zich serieus en toch eigentijds met deze ‘oude’ wijn bezighoudt, blijkt onder meer bij Winery Tibor (Titi) Gal jr. in Eger. De naam Gal is niet alleen in Hongaarse wijnkringen fameus: Tibor Gal sr. was een vooruitstrevend, kundig en innovatieve wijnmaker die de hele wereld afreisde om adviezen te geven. Tijdens een bezoek aan Zuid-Afrika in 2005 verongelukte hij op 47-jarige leeftijd en liet zijn vrouw, vier kinderen en de internationale wijnwereld verslagen achter. Wat vertelt zijn dochter Veronika ons? (Zie Vernieuwend Hongarije 3)

 

 

Vernieuwend Hongarije (1): Tokaj

Hij rijdt moeiteloos ruim 40.000 km per jaar maar in de wijngaard is hij even de weg kwijt. Exportmanager Gabor Weiner van Château Dereszla in Tokaj lacht verontschuldigend. ‘De regen van gisteren heeft enkele paden onbegaanbaar en onherkenbaar gemaakt,’ zegt hij in perfect Engels. We staan voor een enorme modderpoel die zelfs voor de quad te groot is. Het laatste stuk leggen we te voet af, klimmend en zigzaggend door de wijngaarden, naar het hoogste punt waarvandaan we een magnifiek uitzicht hebben over dit unieke wijngebied.

Image result for tokaji aszu chateau dereszlaZeg Hongaarse wijn en de meesten van ons zullen denken aan Tokaj Aszú (en waarschijnlijk aan Stierenbloed, maar daarover meer in het volgende stukje). Deze verrukkelijke zoete dessertwijn wordt hier al sinds de 17e eeuw gemaakt op basis van door ‘nobele rot’ aangetaste druiven, een schimmel die de druiven doet verschrompelen. Tijdens dit rottingsproces concentreren de zuren, suikers en smaken zich in de druif, en dat verklaart de bijzondere, intense smaak. In Tokaj zijn de klimatologische en geografische omstandigheden waaronder deze schimmel het best gedijt optimaal. ‘Het plukken van de aszú druiven is een uiterst secuur werk,’ vertelt Gabor. ‘Uiteraard gebeurt dat handmatig, sterker, de druiven worden per stuk, druif per druif geplukt! Zeer arbeidsintensief dus, en vakwerk. Het zijn met name oudere vrouwen die dat voor hun rekening nemen. Sinds Hongarije tot de EU is toegetreden (in 2004) zijn veel mensen westwaarts getrokken, op zoek naar beter werk en hogere lonen,’ verklaart Gabor. ‘Maar zij zijn er nog, hebben ervaring én geduld,’ voegt hij er met een glimlach aan toe.

De zoete Tokajwijnen hebben wereldfaam verworven en een grote naamsbekendheid. Toch kan de kleine dwaling in de wijngaard misschien wel als tekenend gezien worden voor de fase waarin de beroemde wijnstreek zich momenteel bevindt. Internationaal is de markt voor zoete wijnen namelijk al enkele jaren dalend. De consument drinkt liever frisse, droge wijnen. Hoe kan Tokaj daar op inspelen?

Door ook droge witte wijnen te maken, is het antwoord.  En te investeren. In wijngaarden, in modernere productiemiddelen, in mensen en marketing. Nu is de ligging van Tokaj, in het verre noordoosten van Hongarije, niet echt sexy, dus imagoversterkers als Wereld Erfgoed (2002), helpen, evenals vele miljoenen aan Europese en Hongaarse subsidies om naast de zoete ook droge wijnen te maken. Qua druiven maakt het niet veel verschil, in beide gevallen worden (hoofdzakelijk) de furmint en hárslevelű gebruikt. Het productieproces verandert natuurlijk wel, er wordt eerder geplukt, de wijn rijpt korter en komt sneller op de markt.

Niet alleen zijn er dus tegenwoordig droge witte Tokajwijnen, er wordt ook geëxperimenteerd met het maken van mousserende wijnen. Dereszla is daar zelfs al vrij succesvol in en zette in 2015 een nieuwe winery op, speciaal gericht op het produceren van sparkling wines. ‘Er is veel vraag naar vanuit de binnenlandse markt, vooral bij jonge mensen’ zegt Gabor terwijl hij ons een verfrissend en elegant glas inschenkt. ‘We zitten op gouden grond hier in Tokaj, ook voor niet-zoete wijnen. En we werken er hard aan om de streek op die manier in de markt te houden.’

Deze wens, of missie, zullen we vaker in Hongarije tegenkomen. Onder meer in Eger, onze volgende bestemming …

 

Gastvrij Portugal

Om een beetje echte wijn te kunnen maken zijn enkele klimatologische omstandigheden essentieel.  Zo moet de zon gemiddeld toch wel zo’n 2000 uur per jaar schijnen. Daar voldoet Lissabon ruimschoots aan, met een gemiddelde van bijna 2800 zonuren per jaar. Wij gaan nog iets verder zuidwaarts. Niet voor de zon, en zowaar, niet voor de wijn, al zullen we ze beide gelukkig wel tegen komen op onze route. Nee, het is tijd voor onze jaarlijkse wandelweek, ditmaal in het zuidwesten van Portugal.

We, dat wil zeggen, het dartele dames-van-zekere-leeftijdclubje, bewandelen een deel van de avontuurlijke Rota Vicentina, een netwerk van ca. 450 kilometer aan wandelpaden dat in 2012 voltooid werd als gemeenschappelijk toeristisch ecoproject van overheden, privé-investeerders, sponsors en lokale initiatiefnemers. Vat het woord toeristisch niet als ‘massaal’ op. Dit gebied, tussen Alentejo en de Algarve, is relatief onbekend, relatief onherbergzaam en absoluut dun bevolkt. Op onze dagwandelingen komen we slechts een handjevol mensen tegen en het volgende dorp kan zomaar 25 kilometer verderop zijn. De natuur is echter bijzonder rijk. We wandelen onder meer door generaties oude bossen van kurkeik. Portugal is wereldwijd één van de grootste leveranciers van kurk, tegenwoordig ook hip als materiaal om kleding, tasjes, schoenen en accessoires van te maken. De bomen dragen elk een nummer, refererend aan het laatste jaar waarop de schors geoogst is. Daarna duurt het nog negen jaar voor er opnieuw geoogst kan worden. In die tussentijd zien ze er wat ontmanteld uit.

De Rota Vicentina is goed bewegwijzerd en gebaseerd op oude voetpaden van bewoners en vissers uit de streek. Wat niet betekent dat de paden overal steeds begaanbaar zijn. Als gevolg van korte, hevige regenbuien, zo merken wij ook, kan een pad opeens onder water staan of verdwijnt het in een rots om een baai.

Want baaien zijn er! Met name de Fishermanstrail, die 110 kilometer langs de wilde Atlantische kust meandert, is spectaculair. Evenals de hoge kliffen en zanderige duinen waar doorheen we ons een weg banen. De natuur is prachtig nu, in het voorjaar, met honderden inheemse, aromatische en medicinale bloeiende planten en struiken.  Er vliegen tientallen vogelsoorten rond waarvan ik de namen niet ken maar opvallend zijn ook de vele ooievaars die hier op rotspunten hun nesten bouwen, op een wat je noemt AAA locatie (ocean view).

En hoe lekker is het dan niet, om na een dag van wind om de oren, natuurschoon en fysieke inspanning neer te strijken in een agriturismo waar we met Portugese gastvrijheid onthaald worden. En of we wat willen drinken. Voldoende water heeft ons de dag door geholpen, nu is het tijd voor een glas vinho verde, de frisse licht mousserende witte wijn van eigen bodem en een uitstekend aperitief. En aan tafel drinken we, hoe leuk, Vicentino wijnen (Alentejo). Het huis is weliswaar  opgericht door een Noor maar de wijnen worden lokaal geproduceerd. Kwestie van de plaatselijke economie ondersteunen! Het kost geen moeite, hoor. De wijnen zijn modern gemaakt en toegankelijk. Een paar dames kiezen voor de internationale sauvignon blanc, ik ga voor een glas rode wijn van een typisch Portugese druif, de heerlijk volle touriga nacional. Daarna slaat een weldadig soort vermoeidheid toe (als we de spierpijn negeren) en zoeken we onze bedden op. Morgenvroeg wacht ons een nieuwe tocht!

Een glaasje Madeira…

madeira wijngaarden

In alle soorten glazen worden ze geschonken, de Madeirawijnen. Op terrassen en in cafeetjes krijgen we ze geserveerd in een champagneglas, een cognacglas en in een ‘gewoon’ wijnglas. In alle kleuren, met en zonder ijs, licht gekoeld en op kamertemperatuur. Alsof het niet uitmaakt. Maar als we iets geleerd hebben na een week bezoeken afleggen (en proeven, proeven, proeven) bij de meest vooraanstaande wijnhuizen van Madeira, is dat de wijnen bijzonder rijk geschakeerd zijn, zowel in geur, kleur en leeftijd: ze kunnen meer dan honderd jaar oud worden! “Een glaasje Madeira…” verder lezen

Eerbetoon

Er is geen wijngaard te zien langs de lange Rue des Vignes. De weg die we nemen naar Nogent-sur- Seine, een uur rijden ten oosten van Parijs, loopt dwars door de velden. Het plaatsje was me onbekend totdat ik hoorde over het Musée Camille Claudel dat daar eerder dit jaar de deuren opende. Eindelijk, gerechtigheid! dacht ik. De Franse beeldhouwster (1864-1943) heeft meer bekendheid gekregen als muze, pupil en geliefde van de grote Auguste Rodin (1840-1917) dan zij als collega-kunstenaar zocht en verdiende. Haar tragisch verlopen leven heeft haar verder in de vergetelheid van de (kunst)geschiedenis gebracht: de laatste dertig jaar van haar leven verbleef ze gedwongen in een psychiatrische inrichting, achtervolgd door waanbeelden en volkomen geïsoleerd. “Eerbetoon” verder lezen

Collioure 2017

Sint Vincentius is de patroonheilige van de wijnbouwers. Dat hij ook dakdekkers, zeelieden, handelaars en kuipers beschermt is mooi meegenomen, maar geldt hier als terzijde. Zijn naamdag valt op 22 januari en volgens het volksgeloof zou dat het moment markeren waarop de wijnstokken ‘ontwaken’ uit de winterse rust. Maar er zijn blijkbaar meer heiligen die Vincent heten. Zo delen we drie dagen in de vreugde van de lokale bevolking van Collioure, een beeldig kustplaatsje in het zuidwesten van  Frankrijk, dat al een paar honderd jaar midden augustus St. Vincent herdenkt, de beschermheilige van het stadje. “Collioure 2017” verder lezen